Een ogenBLIKje met Monique Kil

Elke maand geeft BLIK een podium aan studenten om hun bijzondere projecten uit te stallen. Voor de tweede editie doet Monique Kil het onderwerp van haar masterscriptie uit de doeken.

Wie ben je en waar ben je nu mee bezig?

Ik ben Monique Kil, een 23-jarige studente die oorspronkelijk uit Brabant komt. Ik heb net het eerste jaar van mijn dubbele Master “International and World History” afgerond aan Columbia University in New York. In september begin ik aan het tweede jaar van die Master opleiding, maar dan aan de London School of Economics. Mijn opleiding is namelijk een samenwerking tussen die twee universiteiten.
Naast het volgen van vakken, is het schrijven van een scriptie de rode draad die door de twee studiejaren heenloopt. De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met het uitwerken van een onderwerp, het theoretisch kader en de methodologische aanpak. Ik heb besloten om te onderzoeken hoe de Nederlandse consumptiemaatschappij zich ontwikkeld heeft in de jaren ’50 en ’60, toen er een sterke welvaartsstijging plaatsvond na jaren van depressie en oorlog. Ik wil weten hoe de van oudsher zuinige Nederlandse mentaliteit langzaamaan veranderde in een houding waarbij geld uitgeven meer geaccepteerd, en soms zelfs aangespoord werd.

De jaren ’50 en ’60 zijn bovendien interessant omdat de twee grootmachten van die tijd – de Verenigde Staten en de Sovjet Unie – overal ter wereld de “hearts and minds” van de bevolking probeerden te winnen in de context van de Koude Oorlog. De Verenigde Staten waren het meest invloedrijk in Nederland en probeerden ons te “verleiden” met scheermesjes, make-up en Hollywoodfilms. Dit ging gepaard met het “Marshall Plan”. Uiteindelijk hoopten de Verenigde Staten dat de Nederlanders zouden zwichten voor de Amerikaanse kapitalistische denk- en leefwijze en het communisme geheel de rug toe zouden keren. Ik denk dus dat de V.S. een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de huidige Nederlandse consumptiemaatschappij. Ik hoop met mijn onderzoek aan te kunnen tonen in hoeverre dit waar is, en ook welke andere factoren van belang zijn geweest.

Waar komt je fascinatie voor dit onderwerp vandaan?

In mijn eerste semester aan Columbia University volgde ik een vak over “public diplomacy” tijdens de Koude Oorlog. Door de opgegeven literatuur en de klassikale discussies leerde ik dat de Koude Oorlog zich niet alleen op geopolitiek vlak afspeelde, maar ook op cultureel vlak. De Amerikaanse regering en andere Amerikaanse organisaties (die vaak in het geheim verbonden waren aan de overheid) exporteerden onder andere Radio Free Europe, Martha Graham en Louis Armstrong. Ik ben iemand die altijd geïnteresseerd is geweest in cultuur, en dan met name in “popular culture”, omdat dit veel inzichten geeft in hoe het merendeel van de bevolking leefde en dacht. Daarom paste dit onderwerp ook zo goed in mijn straatje. Op een gegeven moment moesten we voor dit vak een satirisch essay lezen van socioloog David Riesman, dat gepubliceerd werd in 1951. InThe Nylon War” vertelde Riesman dat de Verenigde Staten aan “Operation Abundance” begonnen waren: zij “bombardeerden” de Sovjet Unie met consumptiegoederen, zoals pakjes sigaretten, horloges en broodroosters. Riesman schreef in het epiloog van dit essay – wat dus geheel fictief was – dat verscheidende mensen contact met hem opnamen na de publicatie. Ze vroegen zich af of de “Nylon War” nou al begonnen was, en waar ze de New York Times artikelen konden vinden die dit fenomeen beschreven. Dit illustreerde voor mij dat een “consumptie-oorlog” helemaal niet zo’n gekke gedachte was voor mensen die toentertijd leefden. Het onderstreepte ook de belangrijke rol die consumptiegoederen speelden tijdens de Koude Oorlog. Ik vind het een fascinerende tijd!
Ik vind het belangrijk om historische fenomenen te linken aan het heden. Toen iemand in New York het eens had over “going Dutch” (de rekening splitten), begon ik mij af te vragen of dit idioom te maken heeft met de reputatie van Nederlanders dat ze zuinig zijn. De oorsprong van “going Dutch” blijft in het ongewisse, maar het zette me wel verder aan het denken. Vandaag de dag heeft onze consumptiemaatschappij toch wel iets weg van de Amerikaanse. Hoe komt dat? Zodoende kwamen mijn interesses voor de Koude Oorlog en de Nederlandse consumptiemaatschappij samen als het onderwerp voor mijn scriptie. Over Nederland en de Koude Oorlog is relatief weinig geschreven, dus ik hoop met mijn microgeschiedenis een bescheiden bijdrage te kunnen leveren aan de bestaande literatuur.

Hoe ben je van plan dit te onderzoeken?

Ik heb twee archieven in gedachten waar ik deze zomer naartoe wil gaan. De meeste tijd zal ik doorbrengen bij het Atria, het Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis in Amsterdam. Ze hebben bij het Atria vrouwentijdschriften uit de jaren ’50 en ‘60, zoals de Margriet en Libelle. Dat zullen de belangrijkste primaire bronnen voor mijn onderzoek worden. Ik denk hier waardevolle informatie uit te kunnen halen omdat (het promoten van) consumeren vooral op vrouwen gericht werd in naoorlogse jaren, de doelgroep van deze tijdschriften. Terwijl de mannen de nationale economie bevorderden door te werken, konden de vrouwen hun steentje bijdragen door te kopen (die vrouwen zijn door academici bestempeld als “consumer-citizens”). Daar komt bij dat het me aanspreekt om vrouwentijdschriften te analyseren door de visuele en tekstuele combinatie die zij bieden. Zo vind ik het bijvoorbeeld heel leuk om advertenties te onderzoeken.
Ik hoop eveneens het Roosevelt Study Center in Middelburg te bezoeken. Zij zijn gespecialiseerd in trans-Atlantische relaties en hebben een aantal documenten over Nederlands-Amerikaanse diplomatie in hun collectie. Ik hoop informatie te vinden over hoe de Verenigde Staten “public diplomacy” gebruikten in Nederland, tijdens de Koude Oorlog.

Zijn er valkuilen die je bent tegengekomen?

Ik moet het daadwerkelijke onderzoek nog doen, maar ik heb al wel gezien dat er een aantal haken en ogen aan mijn onderzoek zitten. Zo is het bijvoorbeeld lastig om brede conclusies te trekken aan de hand van de analyse van enkel vrouwentijdschriften. Zo kijk ik toch naar “gendered” consumptie door vrouwentijdschriften (en niet ook mannentijdschriften) te analyseren. Het is tevens lastig om brede conclusies te trekken door alleen naar tijdschriften te kijken. Het liefst had ik ook naar andere media gekeken, zoals een radioprogramma genaamd Our American Neighbors dat in de jaren ’50 via de AVRO werd uitgezonden. Helaas mag mijn scriptie niet meer dan 15.000 woorden zijn. Uiteindelijk zal ik slechts conclusies kunnen trekken over hoe de ontwikkeling van de Nederlandse consumptiemaatschappij gereflecteerd werd in vrouwentijdschriften.

Waar wil je later terecht komen?

Ik ben er nog niet over uit of ik verder wil in de academische wereld, of toch liever een baan in de publieke- of privésector wil zoeken. Wat dat betreft ben ik erg blij met de studie die ik heb gekozen: natuurlijk is het hebben van enig historisch besef altijd van enorm belang en daarnaast word ik steeds beter in onderzoek doen, discussiëren, presenteren, schrijven, samenwerken, kritisch denken, enzovoorts. Kortom: skills waarmee ik nog alle kanten op kan!